Lees al het laatste nieuws

Zo moet u uw woonlening voortaan aangeven


De belastingaangifte is dit jaar opnieuw complexer geworden. Vooral voor de aangifte van een woning is er veel veranderd. Ook wie al een lening lopen heeft, moet dit jaar andere codes invullen.

 
Wie tussen begin 2005 en eind 2013 leende voor zijn enige en eigen woning geniet - als aan enkele voorwaarden voldaan is - het voordeel van de woonbonus. Voortaan zijn de gewesten bevoegd voor het belastingvoordeel van de eigen woning, maar in wezen is er niets veranderd. In alle gewesten geven de kapitaalaflossingen, intresten en premies voor een schuldsaldoverzekering nog altijd recht op dezelfde voordelen. U kunt dit jaar in uw belastingaangifte een fiscale korf opnemen met een basisbedrag van 2.280 euro. Daarbovenop kunnen twee toeslagen worden toegekend: 760 euro tijdens de eerste 10 jaar van de lening en 80 euro voor wie in het jaar waarin de lening werd afgesloten drie of meer kinderen had.
 
Het belastingvoordeel hangt nog altijd af van uw inkomen: het hoogste belastingtarief, met een minimum van 30 procent en een maximum van 50 procent (exclusief gemeentebelastingen).
Maar ook al verandert er niets aan het belastingvoordeel toch ziet de aangifte van de woonlening er anders uit. Welke codes u moet invullen, hangt af van het feit of u nog steeds in de gefinancierde woning woont en u intussen ander vastgoed kocht.
 
Scenario 1: U woont nog in de woning en hebt geen ander vastgoed
 
Dat is het eenvoudigste scenario: u bezit maar één woning. Voor leningen afgesloten vanaf 2005 wordt de gewestelijke woonbonus toegekend onder dezelfde voorwaarde en modaliteiten als de voorgaande jaren.
Ook het invullen van het belastingformulier blijft relatief eenvoudig, al kunt u niet langer uw aangifte van vorig jaar zomaar kopiëren. De codes zijn gewijzigd: u moet in rubriek B de code 3370 invullen en niet langer de code 1370. Die laatste code staat nu onder rubriek C en is bestemd voor wie nog de (federale) woonbonus kan claimen, maar de woning niet langer betrekt.
 
Scenario 2: U woont nog in de woning, maar hebt ook ander vastgoed
U leende destijds voor uw gezinswoning en kon aanspraak maken op de woonbonus? Maar u hebt intussen een tweede verblijf gekocht of een pand om te verhuren? Het volstaat dat u op 31 december van het jaar van de lening eigenaar was van slechts één woning. Als u later een andere woning koopt, blijft u het basisbedrag van de woonbonus krijgen. De jaarlijkse toeslagen van 760 euro en 80 euro boven op het basisbedrag verliest u wel. U behoudt de verhoogde aftrek alleen als u een niet voor bewoning bestemd onroerend goed aanschaft, zoals een garage of bouwgrond.
U geeft de betaling aan in rubriek B bij de codes 3370 en 4370. U moet er wel op letten dat u de lagere grensbedragen gebruikt van 2.280 euro. Voorts moet u ook aangegeven dat de woning niet langer uw enige woning is en dus ‘nee’ antwoorden op die vraag.
 
Scenario 3: U verliet de woning vóór 2014
 
U leende destijds voor uw enige en eigen woning en genoot daarvoor de woonbonus. Maar u bent vóór 2014 verhuisd. Misschien trok u in bij uw partner, huurde een huis of kocht een nieuwe stek. U bleef wel eigenaar van de destijds gekochte woning en betaalt de lening ook verder af.
 
Op datum van de betaling van de kapitaalaflossingen, intresten of bijdragen voor de individuele levensverzekering was de woning waarvoor de lening werd aangegaan dus niet langer uw ‘eigen’ woning. De betalingen komen om die reden niet langer in aanmerking voor een gewestelijk belastingvoordeel, maar wel voor een federaal voordeel. U maakt daarvoor gebruik van vak IX C. U hebt de keuze uit:
A. De federale woonbonus voor leningen die vroeger in aanmerking kwamen voor de woonbonus (codes 1370 en 2370 en volgende). Wie alleen maar verhuisde zonder eigenaar te worden van een nieuwe woning  heeft nog altijd recht op het basisbedrag en de toeslagen. Voor wie een nieuwe woning kocht en dus eigenaar is van een tweede woning geldt slechts het basisbedrag, zonder dat u nog recht hebt op de verhogingen.
B. De federale belastingvermindering voor het langetermijnsparen en/of de gewone intrestaftrek (codes 1358/2358).
U zult moeten narekenen welk systeem het grootste voordeel oplevert. De woonbonus is niet noodzakelijk de meest voordelige keuze. Waarom? De eigenaars van een woning die die niet betrekken, moeten verplicht het kadastraal inkomen opnemen in hun belastingaangifte. En daarom kan een gewone intrestaftrek interessant zijn. De betaalde interesten worden daardoor in mindering  gebracht van de belastbare onroerende inkomsten.
Bent u beter of slechter af? Eigenlijk is er weinig veranderd in vergelijking met vroeger. De belastingbesparing blijft dezelfde. De enige wijziging is dat de fiscale korf voor de federale woonbonus en de federale belastingvermindering voor het langetermijnsparen niet geïndexeerd is, en dus  2.260 euro bedraagt.
 
Scenario 4: U verliet de woning in 2014
 
U leende destijds voor uw woning waarvoor u sinds jaar en dag de woonbonus of het oude fiscale regime geniet. Maar u verhuisde in 2014 en blijft de lopende lening gewoon afbetalen. Als u niet wegens sociale of beroepsredenen verhuist naar een huurwoning of woning van een derde, moet u de uitsplitsing maken tussen de betalingen vóór en na de verhuizing.
Vóór de verhuizing genieten de betalingen de gewestelijke woonbonus. Die vraagt u aan in vak IX B. Na de verhuizing hebben de betalingen voor de lening niet langer betrekking op de ‘eigen woning’. Daardoor valt u terug op de federale variant van de woonbonus, waarvoor u vak IX C invult.
 
 


Netto | De Tijd 02 juni 2015



U gebruikt een verouderde browser. Upgrade nu naar een moderne browser om ten volle gebruik te kunnen maken van alle functies van onze site: [ X ]